In een eerder bericht hadden we het al over de motie Van der Plas die tot een wets- of beleidswijziging zou moeten leiden. De strekking: alleen al bij een bezwaar van een particulier of ondernemer tegen een voorgenomen openbaarmaking, zou die openbaarmaking moeten worden opgeschort in afwachting van de behandeling van het bezwaar. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland gaat o.a. in op deze motie in deze uitspraak (29 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7344).
De standaard onwenselijk?
Het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat een bezwaar tegen een besluit, dat besluit niet schorst. Bij de Woo dreigt dan dus openbaarmaking als het bestuursorgaan van mening is dat informatie openbaar gemaakt moet worden. Om dat te voorkomen is een verzoek om een voorlopige voorziening nodig.
Volgens de motie Van der Plas is dat een "dure en tijdrovende" stap. Het indienen van zo'n verzoek kost (voor rechtspersonen) in 2025 EUR 385,-- (bron). Het bestuursrecht wordt geacht laagdrempelig te zijn, dus procederen met advocaten is niet nodig. Maar strikt genomen is dat misschien niet altijd het geval. Enige aanvullende kosten en inspanningen zijn nodig om een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, dat valt moeilijk te ontkennen.
De handreiking van de Woo-wetgever
De Woo-wetgever zal met artikel 5.1, zevende lid weinig vrienden hebben gemaakt in bepaalde kringen. De strekking van dit lid: bij emissiegegevens zijn geen uitzonderingen van artikel 5.1 Woo in te roepen en volgt dus openbaarmaking. Vanuit een dergelijke situatie kwam ook de motie op tafel. Want een kwestie die de politieke aandacht kreeg was een procedure waar de vraag voorlag of bij emissiegegevens eigenlijk wel om zienswijzen gevraagd moet worden.
Tot deed de wetgever met de Woo ook een duidelijke handreiking aan deze ondernemers. In afwijking van de hoofdregel hoeft na een verzoek om een voorziening vervolgens niet een uitspraak van de voorzieningenrechter te worden afgewacht. Enkel het indienen van het verzoek om de voorziening schorst het besluit al (zie artikel 4.4, lid 5). Openbaarmaking blijft dan dus uit.
Belang van de voorziening
Wat vervolgens tegen de motie pleit, is dat de behandeling van het bezwaar de nodige tijd vergt. Bovendien mist veelal (in elk geval gevoelsmatig) in concreto een onafhankelijke toetsing. Het bestuursorgaan beoordeelt haar eigen besluit nog een keer. Bij de voorlopige voorziening is er de rechter die de belangen afweegt. Het belang van openbaarmaking van publieke informatie, afgezet tegen het voorkomen van mogelijk nadeel voor de (in dit geval) betrokken onderneming door die openbaarmaking.
In die afweging valt het veelal uit in het voordeel van de onderneming. Openbaarmaking is immers onomkeerbaar. In een enkel geval is dit anders. Als het bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit kansloos is, dan is openbaarmaking aan de orde.
Kwestie Gelderland
Zo laat ook de Rechtbank Gelderland hier dus zien. Animal Rights heeft de minister verzocht om alle publieke informatie die betrekking heeft op door de NVWA uitgevoerde inspecties, controles en bezoeken bij konijnenhouderijen over de periode van 24 maart 2022 tot 17 juli 2024 openbaar te maken. De minister wil die informatie ook deels openbaar maken. Dat noopt dus tot een voorlopige voorziening.
Onder verwijzing naar inmiddels redelijk vaste rechtspraak komt de minister tot dit besluit. Dergelijke toezichtsinformatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Hierbij wordt dan betrokken dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA.
Het is dit belang dat ook wordt afgezet tegen de door de onderneming genoemde belangen die zwaarder zouden wegen. Enerzijds doet men een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit beroep van verzoekster op artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo heeft geen kans van slagen aldus de rechtbank. Het niet lakken van de bedrijfsnaam van verzoekster is in lijn met vaste rechtspraak, aldus de rechtbank (wijzend o.a. op Raad van State 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679). Zo is daarin overwogen dat de omstandigheid dat een bedrijfsnaam een familienaam bevat, niet kan leiden tot het weigeren van openbaarmaking van die naam.
Kritische noot daarbij: er zijn gevallen bekend waarbij bijzondere omstandigheden toch aanleiding kunnen zijn voor een zekere mate van lakken (zie bijv. Rechtbank Overijssel 12 juli 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2675).
Veelal zit dat laatste in de combinatie met een aspect van veiligheid. Dat raakt aan de andere grond die de onderneming opwerpt. Openbaarmaking van persoonsgegevens brengt volgens verzoekster een groot risico tot ongewenste benadering van betrokkenen met zich mee. De minister had daarom openbaarmaking van deze informatie moeten weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo. In dat kader wordt gewezen op het ontbreken van concrete aanknopingspunten. Verzoekster heeft geen concrete, actuele dreiging richting haar bedrijf aannemelijk gemaakt, aldus de rechtbank.
En dus wordt het verzoek afgewezen en moe de informatie openbaar worden gemaakt.
En die motie?
Verzoekster wees nog op de motie. Ter zitting heeft de NVWA kennelijk aangegeven na te denken over wat de motie betekent in de praktijk. Berichten op LinkedIn wekken de indruk dat menig bestuursorgaan het al zo aanpakt dat een bezwaar inderdaad leidt tot het niet openbaar maken.
De voorzieningenrechter wekt de indruk dat dit mogelijk is. Wel wordt gesteld dat de aangenomen motie niet betekent dat de minister een andere koers rond het schorsen van openbaarmakingsbeslissingen móét inslaan. Dat is haar eigen politieke afweging. Het niet uitvoeren van die motie is op geen enkele wijze onrechtmatig. Omdat de minister nog geen gevolg geeft aan die motie kan die motie geen rol spelen bij de beoordeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening.
Belangrijk is waarmee wordt afgesloten: ook als de minister deze motie wel zou uitvoeren, dan vereist een zorgvuldige belangenafweging nog steeds dat zij het belang van openbaarmaking zwaar laat meewegen, in die zin dat een kansloos bezwaar openbaarmaking niet zou mogen tegenhouden.
Daarmee laat de rechtbank de weg wel open voor het uitvoeren van de motie, maar ook dan dus altijd nog met een belangenafweging. De mogelijkheid hiertoe ligt mogelijk besloten in de aanname dat het openbaarmaken louter een feitelijke handeling betreft. Dat wil zeggen dat het besluit dus niet dwingt tot het daadwerkelijk feitelijk openbaarmaken. Dit geeft dus ruimte om hiervan af te zien. Een dergelijke handelswijze staat wel zeer op gespannen voet met de idee van de Woo en de gedachte dat een bezwaar het besluit niet schorst. En dwingt artikel 4.4 lid 5 juist niet tot daadwerkelijk verstrekken bij het besluit, met deze zin "Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken, wordt de informatie verstrekt tegelijk met de bekendmaking van het besluit"?
Los daarvan is de uitsmijter van de voorzieningenrechter (bij een kansloos bezwaar toch openbaar maken) funest als we denken aan de al genoemde aanleiding van de motie en het beoogde doel ervan. Bij emissiegegevens is een bezwaar met een beroep op enige uitzondering zoals opgenomen in artikel 5.1 Woo kansloos. Dan zou dus openbaarmaking moeten volgen. Sneller dus ook dan onder de huidige regeling, waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening dus in elk geval nog tot enig uitstel zorgt. Dan scheelt het dus in elk geval tijd en kosten.