Een interessante uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (5 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7548) over het terughoudend moeten omgaan met de uitzondering 'het goed functioneren van de overheid' (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i).
Waar gaat het om?
Het verzoek ziet op hoofdstuk 7 en 8 van de Agentschapsdoorlichting Rijksvastgoedbedrijf 2016 – 2020 (Agentschapsdoorlichting). Specifiek voor dit blog is interessant dat het ook ziet op informatie over het project ‘Paarse krokodil’. Dat project was kennelijk bedoeld om informatie uit de organisatie op te halen waar een en ander kon worden verbeterd.
Goed functioneren en persoonlijke levenssfeer
Ook de verzoeker in kwestie had kennelijk iets ingediend. Die inzending is niet openbaar gemaakt met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo). De andere Paarse krokodil-inzendingen, van andere medewerkers, zijn geheel niet openbaar gemaakt met toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo.
Een dergelijke categorische weigering acht de rechtbank niet conform de bedoeling van de wetgever met deze grond. Het standpunt van de minister dat alle Paarse krokodil-inzendingen per definitie niet openbaar kunnen worden gemaakt omdat zij onder een vertrouwelijke mailbox vallen en dat openbaar maken in de toekomst kan leiden tot terughoudendheid bij de medewerkers bij soortgelijke initiatieven, volgt de rechtbank niet.
Relevant acht de rechtbank dat:
- geen sprake is van een intern disciplinair onderzoek,
- dat duidelijk was voor de indieners dat inzendingen in ieder geval binnen de organisatie zouden worden gedeeld en
- dat de inzendingen dusdanig verschillend zijn (ook in de mate waarin zij zijn gerelateerd aan meer persoonlijke problemen) zodat ze niet allen over een kam zijn te scheren.
Tot slot is relevant dat de oproep voor het project Paarse krokodil in 2021 werd gedaan. De strekking van het besluit zou maken dan de weigeringsgrond voor onbepaalde tijd en integraal voor de gehele documenten geldt en dat past niet bij deze grond.
Opvallend is dat de beroepsgrond over het inroepen van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e niet meer wordt besproken.
Overig
Voor het overige is nog interessant dat artikel 3.1 Woo een inspanningsverplichting tot actief openbaar maken met zich brengt. Dit schenden, omdat iemand erom vraagt en dat niet doen, kan dus niet.
Ook hoeft de minister niet het Woo-verzoek zelf openbaar te maken nu dat geen onderdeel uitmaakt van het Woo-verzoek zelf (uiteraard). Als artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo in werking treedt geldt wel de verplichting het verzoek ook bekend te maken. Al kan dat volgens de werkdefinitie wel in de vorm van een samenvatting in het besluit zelf.
Ook is interessant dat de zoekslag, met een gedegen motivering en aanvulling ter zitting, uiteindelijk voldoende blijkt. Van concrete aanknopingspunten van de zijde van verzoeker dat er toch iets mist, is geen sprake.