Bestuursrechter pak door, desnoods met onorthodoxe maatregelen!

Cornelis van der Sluis 20-07-2026
0 reacties

Een podcast op papier, als opwarmer voor de podcast

Met Rens Koenraad zou Cornelis medio juli 2026 een podcast opnemen. Wegens omstandigheden werd 'm dat niet. De heren deelden vragen en antwoorden uit en maakten een afspraak voor na de zomer. Die vragen en antwoorden moeten dus gezien worden als een opwarmer voor het gesprek van na de zomer. Met de oproep om Rens en Cornelis te voorzien van opvolgende vragen en suggesties voor hun gesprek.

Vraag 1

Rens, ik benaderde jou n.a.v. je post met de titel “Laat bestuurlijke ongehoorzaamheid niet ongemoeid”. Dat was een vervolg op jouw opiniebijdragen in het dagblad Trouw. Wil je dat eens toelichten?

De tijd waarin een rechter als zodanig – omdat hij nu eenmaal rechter is – gezag had, is definitief voorbij. Tegenwoordig moet een rechter gezag verdienen om serieus te worden genomen. Dat gezag ontstaat niet – of erodeert – als een rechter bewust en openlijk toestaat dat een of meer procespartijen zijn uitspraak bewust en openlijk negeren. Dit betekent dat een rechter creatief moet zijn – ‘jonge vriend, verzin een list’, om te spreken met Marten Toonder – als een partij een loopje met (de beslissingen in) zijn uitspraak neemt. In dit verband zeg ik mijn vakgenoot Rolf Ortlep (hoogleraar bestuursrecht aan de Open Universiteit) na: wie blijft beweren dat iets juridisch onmogelijk is, heeft het recht niet begrepen. Dit alles verklaart mijn motto: (bestuurs)rechters moeten creatief zijn, voor rechtsbescherming van burgers, maar ook voor hun eigen geloofwaardigheid.

Laat ik het concreet maken. Als een partij een rechterlijke uitspraak meermalen negeert en dwangsommen ogenschijnlijk niet helpen, moet de rechter doorpakken, desnoods met onorthodoxe maatregelen. In dit verband trek ik de vergelijking met bewijsnood; de partij aan wie de bewijsnood in overwegende mate kan worden toegerekend, draagt de negatieve gevolgen van deze nood. Dit betekent in de praktijk dat de partij in kwestie de procedure verliest. En verlies van het bestuursorgaan vertaalt zich in (naar, tot) een uitspraak waarin de burger krijgt waarom deze uiteindelijk vraagt, zoals een uitkering of een toeslag – of de openbaarmaking van een document. En als anderen door deze openbaarmaking schade lijden, mag het bestuursorgaan – althans de rechtspersoon waartoe dit orgaan behoort – daarvoor opdraaien.

De zojuist geschetste bewijsnood-doctrine heeft ook een principieel karakter. Op grond van artikel 6 van het EVRM heeft elke belanghebbende burger recht op een definitieve beslechting van het geschil – lees: volstrekte duidelijkheid over zijn materiële rechtspositie ten opzichte van het openbaar bestuur – binnen een redelijke termijn. Litis finire oportet, wisten de oude Romeinen al.

En ja, ik weet dat dit bij zuivere meerpartijengeschillen – over omgevingsvergunningen en zo – ingewikkelder is en gevoeliger ligt.

Maar hoe dan ook: rechtspraak is niet voor bange mensen. If you can’t stand the heat, stay out of the kitchen.

Vraag 2

Je pleit dus voor meer doorpakken door de bestuursrechter. Moet de rechter dus meer doorpakken en de weging van belangen – waar het bij het lakken van informatie natuurlijk snel op uitdraait – overnemen en informatie openbaar (laten) maken?

De spreekwoordelijke gereedschapskist van de bestuursrechter is rijk gevuld met bevoegdheden die het verschil kunnen maken. Twee mogelijkheden werk ik uit.

De rechter kan zelf in de zaak voorzien – artikel 8:72 lid 3 onder b van de Awb, voor de bestuursprocesrechttijgers onder ons – door te bepalen dat de in de inleidende Woo-aanvraag bedoelde documenten – openbaar zijn. De hogerberoepsrechter kan dit concreet maken door de documenten toe te voegen aan de uitspraak. De publicatie van de uitspraak én de documenten op rechtspraak.nl zorgt voor openbaarheid. Nee, in de Awb staat nergens dat dit mag. Maar in de Awb staat evenmin dat het níet mag.

De rechter kan een partij – zoals een minister die verantwoordelijk is voor het stikstofbeleid van het kabinet (ik mag de naam van deze minister niet noemen omdat het Femke Marije Wiersma is/was) – in persoon oproepen om tijdens een zitting tekst en uitleg te geven. Zo’n natuurlijk persoon – ook een minister – kan met behulp van ‘de sterke arm’ worden gedwongen om voor de rechter te verschijnen. Zie artikel 8:46 van de Awb, in verbinding met de artikelen 179 en 180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Oké oké, een minister door de politie laten ophalen en gijzelen gaat nogal ver. Maar de bevoegdheid is er wel. En met die gedachte in het achterhoofd kan de bestuursrechter aan het niet verschijnen van de minister “de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen”, aldus het – niet heel eigentijds geformuleerde – artikel 8:31 van de Awb. Zelf in de zaak voorzien – zie hiervoor – is zo’n gevolgtrekking.

Vraag 3

In Woo verband is dit doorpakken lastiger bij een thema dat veel speelt: de zoekslag. Het gaat er dan om dat het bestuursorgaan kennelijk niet overtuigend weet te stellen dat wat allemaal bij het besluit is betrokken (wel of niet openbaar gemaakt) dat dit ook echt alles is wat er aan informatie berust of moet berusten bij het bestuursorgaan. Doorpakken wordt dan best lastig denk ik. Ik zag deze einduitspraakRechtbank Noord-Holland 22 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:16069. De gemeente Bergen was al in een tussenuitspraak concreet gewezen op de zoekslag en wat er beter moest. Ondanks toezeggingen in dat kader was daar geen gevolg aan gegeven. De rechter vernietigt en draagt op opnieuw te beslissen. Wat had de rechtbank hier anders kunnen of moeten doen volgens jou?

Ik verwijs allereerst naar mijn antwoord op vraag vraag 2. Ik voeg er het volgende aan toe.

We zien hier een berucht effect van de bestuurlijke lus; na het niet herstellen van het gebrek krijgt het bestuursorgaan nóg een kans om zijn leven te beteren. Burgers gaan in zo’n geval al snel denken dat de bestuursrechter bezig is met het helpen – voortrekken – van het openbaar bestuur, wat zijn gezag verder onder druk zet. Zie mijn antwoord op vraag 1. Vergelijk het met een ouder die moeite heeft met het begrenzen van zijn kind: “Cornelis, ik zeg het nog één keer”. Of: “ik tel tot drie; één ... twee ... twee-en-half ... nog een keer twee-en-een-half ... bijna drie ...”.

Vraag 4

Zou een oplossing kunnen zijn iets wat ik weet uit de praktijk? Ik ken namelijk een geval waarbij de rechter een deskundige heeft aangewezen om te gaan zoeken (of de zoekslag te controleren door in de informatiehuishouding concreet te worden meegenomen en toegelaten). Denk jij aan dit soort oplossingen?

Precies dat! Bedenk in dit verband dat artikel 8:47 van de Awb – de bevoegdheid van de bestuursrechter om een ‘eigen’ deskundige te benoemen – moet worden gesitueerd in de context van artikel 8:69 lid 3 van de Awb. Die bepaling zegt dat de bestuursrechter de feiten kan aanvullen, en is vooral bedoeld als vorm van ongelijkheidscompensatie (lekenbescherming, zo je wilt). Ongelijkheidsbescherming annex lekencompensatie is ingegeven door de wenselijkheid om de procespartij met de zwakste positie te beschermen. Besef dat een burger meestal onmogelijk aannemelijk kan maken dat het bestuursorgaan onvoldoende heeft gezocht naar relevante documenten.

Ook hier zit het principiële punt dat ik bij de beantwoording van vraag 1 al benoemde. Uit artikel 6 van het EVRM vloeit voort dat elke belanghebbende burger een eerlijke kans moet krijgen tot betwisting van de rechtmatigheid van overheidsoptreden dat zijn belangen schaadt althans zal of kan schaden. Dit recht komt in het gedrang als de burger wel de bewijslast heeft maar niet beschikt over reële mogelijkheden om aan deze last te voldoen. De Woo-verzoeker komt aan de balie van het stadskantoor met de mededeling dat hij vandaag de bestanden met mails van de burgemeester komt doorzoeken. Zie je het voor je? Ik heb wel eens van minder ambitieuze plannen gehoord, zou mijn promotor hebben gezegd.

Natuurlijk kan het gebeuren dat het rapport van de deskundige is gevuld met bevindingen die vertrouwelijkheid verdienen. Denk bijvoorbeeld aan correspondentie tussen de burgemeester, de officier van justitie en de korpschef, over het beteugelen van rellen rondom de komst van een azc. Met andere woorden: er bestaat een kans dat het rapport volgens de normen van de Woo, huiselijk uitgedrukt, ‘onder de pet moet blijven’. In zo’n geval kan de bestuursrechter met een ruimhartige en overigens creatieve uitleg van artikel 8:32 van de Awb bepalen dat slechts een advocaat van de burger kennis mag nemen van het rapport dat de deskundige aan de bestuursrechter heeft gestuurd. Zo kun je het belang bij geheimhouding van gegevens inzake opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 5.1 lid 2 onder c van de Woo) verenigen met het recht van partijen op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM). Kom op rechters, durf buiten de lijntjes te kleuren.

In het verlengde van het vorenstaande: op grond van artikel 8:62 lid 2 onder a van de Awb kan de zitting waar het deskundigenrapport wordt besproken, achter gesloten deuren plaatsvinden. Het kost mij geen moeite om te bedenken dat het publiekelijk bespreken van gevoelige informatie het tegengaan van strafbare feiten in strijd met “het belang van de openbare orde kan komen”.

Nogmaals: if you can’t stand the heat ...

Vraag 5

Interessant bij dit alles is nog, als die bestuursrechter dan meer door gaat pakken, wat de houding volgens jou van bestuursorganen moet zijn. Recent werd (op 13 mei 2026) het Afwegingskader hogerberoep tegen burgers in het bestuursrecht bij de Tweede Kamer aangeboden door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het wil vooral ontmoedigen dat bestuursorganen te gemakkelijk in hoger beroep gaan. Hoe kijk jij hiernaar?

Ik ben bezig met een bijdrage voor het juridisch tijdschrift ‘Ars Aequi’ waarin ik betoog dat het tijd is voor – codificatie van – de mogelijkheid van hoger beroep in het belang der wet, met – uiteraard – een knipoog naar cassatie in het belang der wet bij de Hoge Raad.

De kern van hoger beroep in het belang der wet: het bestuursorgaan stelt hoger beroep in bij één van de hoogste bestuursrechters omwille van de rechtsvorming en/of rechtseenheid. De uitspraak van de hogerberoepsrechter heeft geen negatieve gevolgen voor de burger die van de eerstelijnsrechter gelijk heeft gekregen. In zo’n geval hoeft de burger dus niet bang te zijn dat hij uiteindelijk toch geen recht heeft op de uitkering of dat hij het teruggevorderde bedrag alsnog moet betalen.

We hoeven niet te wachten op wijziging van artikel 8:104 van de Awb. Wachten op wijziging van de Awb vergt trouwens sowieso veel zitvlees – met het risico op doorligwonden – aangezien de ambtelijk-legislatieve verantwoordelijkheid voor deze wet berust bij twee departementen: BZK (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden) en J&V (Justitie en Veiligheid). Die combinatie leidt vaak tot iets dat lijkt op stookolie tijdens een strenge winter in Alaska. Als u begrijpt wat ik bedoel. In dit kader: hoe is het toch met het voorstel van de Wet versterking waarborgfunctie Awb, een kader waarin wijziging van artikel 8:104 van de Awb zijn beslag kan krijgen?

Ik dwaal af. Terug naar de kern. Een bestuursorgaan kan bij het instellen van hoger beroep aan de burger schriftelijk beloven dat het de einduitkomst van de rechtbankprocedure zal respecteren, en dat het oordeel van de hogerberoepsrechter slechts zal worden gebruikt bij nieuwe situaties. Ik zie geen reden om zo’n toezegging – gevalletje Amsterdams dakterras, voor bestuursrecht-professionals onder ons – onverbindend te achten.

#Hashtag durftedoen.

 

    Afbeeldingen

    Bekijk ook

    Blijf op de hoogte en meld je aan voor de nieuwsbrief  

    Aanmelden

     

     


    Contact

    010 840 02 33
    info@nkoo.nl

    Postadres: Postbus 3107, 3003 AC, Rotterdam
    Bezoekadres: Hofplein 20, 3032 AC, Rotterdam


    Leren bij het NKOO?

    Ontdek onze trainingen via onze keuzehulp. Nog niet helemaal zeker? Laat je gegevens achter en we denken graag met je mee over een passend leertraject of maatwerkadvies.

    Bel mij terug

     

     

     

    Cookie-instellingen