Misbruik van de Woo kan worden gemaakt. Dat volgt uit de antimisbruikbepaling (artikel 4.6 Woo) die een grondslag geeft voor de primaire fase (na de ontvangst van het verzoek). Voor verderop in het proces is er nog artikel 3.13 en 3.15 van het BW (zie uitgebreid, over misbruik onder de Wob, via deze bepalingen, deze bijdrage aan de JB Select). Misbruik vormt een lastig thema in de praktijk. Niet voor de Rechtbank Amsterdam (23 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6399), die mooi duidelijk maakt dat belang en doel twee verschillende aspecen zijn in Woo-verband.
Belang niet relevant, doel natuurlijk wel!
De drempel om van misbruik te kunnen spreken ligt hoog, aldus geluiden uit de praktijk. Veelal ligt die lat ook hoog en vreemd is dat misschien niet. Eenieder komt het recht op toegang tot publieke informatie immers toe (artikel 1.1 Woo) en een belang niet hoeft te worden gesteld (artikel 2.5 en artikel 4.1 lid 3 Woo).
Dagbesteding is geen redelijk doel
Terecht maakt de Rechtbank Amsterdam (23 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6399) alleen duidelijk dat het niet een zaak van belang, maar wel van doel is die relevant kan zijn bij de Woo. Dat maakt de vraag naar het doel van verzoeker dus alleszins relevant en terecht in elke fase van afhandeling van het verzoek. Het leidt in dit geval uiteindelijk tot het oordeel dat misbruik wordt gemaakt.
De rechtbank vindt de volgende zaken relevant:
- het gaat om iemand met een serieuze track record als het gaat om het doen van Woo-verzoeken (en niet alleen bij dit bestuursorgaan);
- in andere procedures waarbij is vaker misbruik vastgesteld;
- enige band met het bestuursorgaan dat wordt aangezocht of het onderwerp waarover informatie wordt opgevraagd ontbreekt; én
- het doen van Woo-verzoeken wordt ook met een ander doel gedaan.
Dat laatste is hier interessant. Hier gaat het immers om een (ex-)gedetineerde die de Woo-verzoeken indient als dagbesteding. Daarvoor is de Woo niet bedoeld! En dus neemt de rechtbank misbruik aan.
Grondslag en processuele eisen
De conclusie is daarmee dat het beroep niet-ontvankelijk is. Goed om duidelijk te maken is dat dit oordeel daarmee is gebaseerd op voornoemde artikelen uit het BW. De rechtbank noemt dit niet.
Wat de uitspraak ook niet duidelijk maakt, is of eiser is opgeroepen om op zitting te verschijnen. Dat lijkt een vereiste om uiteindelijk tot het misbruik-oordeel te komen als we rechtspraak van de Raad van State uit 2023 goed begrijpen (zie dit blog hierover). De uitspraak meldt alleen dat eiser, zonder bericht, niet aanwezig was.