De Woo en milieu-informatie; een relatie met uitdagingen

Milieu-informatie heeft door het Verdrag van Aarhus en Europese richtlijnen over de toegang tot milieu-informatie een aparte status als het gaat om de vraag naar openbaarheid van dergelijke informatie. De Woo heeft ten aanzien van deze categorie wat wijzigingen doorgevoerd in vergelijking met de Wob. Die wijzigingen zijn niet altijd gelukkig gebleken. Zonde, nu de wetgever wel kon weten van die ongelukkige keuzes. De twee onvolkomenheden worden ook belicht in een recent rapport van de Universiteit van Utrecht in opdracht van het Ministerie van I&W.

Termijnen

Een eerste bijzonderheid die met de Woo is doorgevoerd, is dat een onderscheid in termijnen – zoals we die kenden van de Wob (artikel 6 lid 6) – niet meer terug is gekomen. Heel fijn: één termijn voor elk Woo-verzoek, ondanks de aard van de informatie. Die termijn is vier weken, met de mogelijkheid van twee weken verdagen waardoor in beginsel de maximale termijn van twee maanden om te beslissen over milieu-informatie (zoals het Verdrag van Aarhus voorschrijft) gehaald moet kunnen worden.

Dan rekent de wetgever alleen buiten de mogelijk verplichte stappen van het vragen om een zienswijze (artikel 4.4 lid 3) én de uitgestelde verstrekking (artikel 4.4 lid 5). Zie ook dit artikel uit 2016, in paragraaf 1 onder 3. Daarmee kan al snel in strijd met het Verdrag van Aarhus worden gehandeld, zo valt ook de onderzoekers van Utrecht op (zie paragraaf 2.4). Hun aanbeveling: in de praktijk sneller verzoeken afhandelen (al een uitdaging op zichzelf), maar vooral een aanpassing van de Woo. Toch weer mogelijk een terugkeer naar het onderscheid in termijnen zoals we die kenden van de Wob.

Uitzonderingen

Ook is er terecht aandacht voor het niet verwerken van de inzichten die een uitspraak van de Raad van State uit 2020 (!) wel had kunnen opleveren. In die uitspraak (zie dit bericht) dat bij milieu-informatie een restrictieve uitleg en toepassing van de uitzonderingen is geboden. Het leek logisch om dit ook te verwerken in de toen nog in ontwikkeling zijnde Woo. Daar werd ook aandacht voor gevraagd in de na de aanvaarding in de Tweede Kamer verschenen eerste editie van het Woo-boek. 50Plus stelde er vragen over, maar initiatiefnemer Sneller maakte zich er wat makkelijk van af (uit het verslag):

Er was nog een vraag van mevrouw Baay, over het Internationaal Atoomenergieagentschap. Waarom hebben wij die zaak, de jurisprudentie daarover, niet gecodificeerd? Naar onze overtuiging was dat te specifiek om in deze wet op te nemen. Dat is het korte antwoord.

De onderzoekers van Utrecht merken over dit gebrek op dat bekendheid moet worden gegeven aan deze andere wijze van beoordelen. Eventueel via handleidingen en richtsnoeren, maar het liefst toch ook door een aanpassing van de Woo.

Misschien nog iets voor de Verzamelwet?